Gedeosoe

Gedeosoe {Gedewsoe, Agedeosoé), is een ongehuwde mannelijke of een bovengeslachtelijke god, en de andere der beide grangado's. Ook Gedeosoe is door een priester uit Afrika medegebracht. Deze, wiens naam Apasoe was, was foeileelijk en geen vrouw wilde hem hebben. 1 "t eindelijk een vrouw, Asafe, zich over hem ontfermde. Haar loon w as, dat zij door hem in den dienst van Gcdcosoc werd ingewijd en na zijn dood opperpriesteres werd. Op haar beurt leidde Asafe een harer dochters op en sedert bleef het opperpriesterschap van Gcdcosoe ;n vrouwenhanden. Bij de indeeling der lo's kwam Apasoe terecht bij de Pedri-lo en zoo kwam het priesterschap aan deze onderstam en werd Gcdcosoe de bijzondere godheid der bilo-ningre (§ 1) gelijk Gwangwella het is van de opo-ningre. De plaats van aanbidding werd Kriorokondre, doch sedert Kriorokondre niet meer bewoond is. wordt de heilige bundel of dgl., welke Gcdcosoe vertegenwoordigt, in een tempelhuisje te Tabbetje bewaard en telkens als het groote feest te Kriorokondre zal plaatsvinden, daarheen overgebracht. Gedeosoe is de god des levens, de godheid van de materieele duigen, van oogst en landbouw, vischvangst, jacht, geboorte enz. In den tijd van grondjes kappen is men verplicht eerst aan Gcdcosoe te offeren en zijn bijstand te vragen voor het slagen van wat men

zal ondernemen (het woud vellen, planten enz.). Voor de ponsoc, de vischvangst met vischvergift (§ 80), moet de bijstand van Gedeosoe gevraagd worden en ook voor de jacht.

Het komt op gezette tijden voor, dat een kudde pingo's (wilde zwijnen) in de nabijheid van een dorp komt, of de rivier overzwemt. Wie dit opmerkt mag er niet meer dan twee voor zichzelf schieten en moet daarna alarm maken. Want Gedeosoe heeft ze niet voor één mensch, doch voor allen, gezonden. Dan komen van alle kanten mannen en vrouwen om een deel van den buit machtig te worden (ik heb wel eens 150 gedoode pingo's zien liggen).

Als een tapir gedood is, dan wordt de kop aan den Granman gebracht als een offer aan Gedeosoe. De geest van den Granman vertegenwoordigt hierbij Gedeosoe.

Misoogstj of tegenslag bij de ponsoe, moet in den regel worden toegeschreven aan verstoordheid van Gedeosoe. Men verzoent hem door aan hem te offeren. Eens bleven de pingo's uit en werd er weken lang op Kriorokondre geofferd en gedanst; daarop verschenen de pingo's weder.

Ook Gedeosoe moet op gezette tijden door den geheelen stam aanbeden worden; dit gebeurt niet te Drietabbetje of Poketi, doch op Kriorokondre. De offerfeesten duren weken, soms maanden aan een stuk door; Gedeosoe geeft veel, doch is niet minder veeleischend.

Elk jaar of om de twee jaar wordt de heilige bundel van Gedeosoe naar Drietabbetje vervoerd, alwaar dan allen, ook de Granman, deze godheid aanbidden. Het overbrengen van den bundel geschiedt door den hoofdpriester of -priesteres, bijgestaan door een aantal andere priesters; in de boot is een bel, die men voortdurend laat klinken (§ 63). Aan Gedeosoe wordt geen eed afgelegd.

Gedeosoe beschermt de vrouwen bij zwangerschap en bevalling en wordt bij kinderloosheid aangeroepen. Hij is ook de beschermer der kinderen en elke plechtigheid voor Gedeosoe vangt aan met een hulde die de kinderen brengen. Het heet, dat wat de gebeden van ouderen soms niet vermogen, op het gebed van kinderen door Gedeosoe wordt toegestaan.

[Holdridge 210 vermeldt, dat Gedeonsoe schijnt te leven in den grooten Ceyba-booni. Bij de Saramakkaners wonen de Gcdeonsoc's, die overigens veel gemeen hebben met Gedeosoc der Djoeka's, in Ceyba-boomen. Volgens van Lier kan, evenals voor de lagere goden, ook voor Gedeosoc een gado-pree (feest waarbij men danst, eet enz.) gehouden worden, voor Grantata echter niet. Gedeosoe wordt ook

door Stadsnegers aangeroepen (2H 94, 641). De naam lijkt een samenstelling van Gede (vgl. Kedi-ampon $ 18) en Osoe of Onsoe (vgl. de vele mei 0- beginnende afrikaansche godennamen vermeld door Ellis, Yoruba 34 vlg.). 1H 349 maakt melding van twee goddelijke broeders in Dahome, waarvan de eene, Gedc, in een rots veranderde en de andere, Honsu in den grooten katoenboom ging. — De godheid Gcdcosoc der Boschnegers toont trekken van gelijkenis met de in §§ 22 en 23 te bespreken natuurgeesten].